Elektrisch rijden wordt steeds populairder. Een elektrische wagen is milieuvriendelijker, je betaalt minder brandstofkosten én je komt vaak ook in aanmerking voor bepaalde belastingvoordelen. Toch zijn er ook een heleboel vooroordelen over elektrisch rijden. Die hebben vooral te maken met de prijs, de oplaadtijd en de actieradius. Wij zetten vijf vooroordelen over elektrisch rijden op een rij en onthullen voor eens en voor altijd: zijn het feiten of fabels?

1. Elektrisch rijden is duur: feit en fabel

In aankoop zijn elektrische wagens nog steeds duurder dan benzine- of dieselwagens. Sinds dit jaar krijg je van de Vlaamse overheid ook geen premies meer bij de aanschaf van een elektrische wagen. In Vlaanderen betaal je voor een elektrisch wagen wel geen belasting op de inverkeerstelling (BIV) of verkeersbelasting. In Wallonië en Brussel betaal je die wel, maar minder dan voor een klassieke wagen.

 

Ook in onderhoud en ‘brandstof’ is een elektrische wagen dan weer beduidend goedkoper. Een elektromotor heeft doorgaans veel minder onderhoud nodig dan een verbrandingsmotor, gaat langer mee en je hoeft uiteraard ook niet meer te tanken. Elektriciteit is natuurlijk ook niet gratis, maar het verschil in prijs is wel erg groot.

 

Wie jaarlijks 15.000 kilometer aflegt, betaalt daar met een benzinewagen zo’n 1125 euro voor. Met een gemiddeld verbruik van 15 kWh per 100 kilometer en een gemiddelde prijs van 0,25 euro per kWh betaal je met een elektrische auto bijna de helft. Het totaalbedrag komt dan op 560 euro.

2. Je kan niet ver rijden met een elektrische wagen: fabel

Met een klassieke auto kan je een hoger aantal kilometers afleggen, dat klopt. Maar de tijd waarin je je elektrische wagen al na 150 kilometer opnieuw moest opladen ligt gelukkig achter ons, dankzij de sterk verbeterde actieradius. Verschillende modellen - en niet enkel de duurste - halen nu makkelijk 400 kilometer met één laadbeurt. Minder dan een klassieke auto, maar eerlijk is eerlijk: wanneer rijd jij meer dan 400 km/u aan een stuk?

3. Een elektrische wagen opladen duurt lang: feit en fabel

Je wagen elektrisch opladen duurt langer dan een tankbeurt, dat is een feit. Bij een standaard laadpaal duurt het tussen de 4 en 8 uur om je batterij volledig op te laden. Er zijn snelle publieke laadpalen, maar die vind je niet zomaar overal. Ook die hebben echter een halfuur nodig om je auto tot 80% op te laden. Bovendien ‘tank’ je dan niet meer goedkoper, want snelle laadpalen zijn over het algemeen vrij duur.

 

Een groot voordeel is dan weer dat je je auto gewoon thuis kan opladen. Wie zijn wagen vooral gebruikt voor woon-werkverkeer kan de batterij makkelijk ‘s nachts opladen en hoeft dus nooit onderweg te ‘tanken’. Hiervoor laat je het best een laadpaal bij je thuis installeren.

 

Sommige auto’s maken ook gebruik van regeneratief remmen. Hierbij wordt de energie die normaal gezien verloren gaat bij het remmen, opgevangen om de batterij op te laden. Die kan dan worden opgevangen voor later gebruik.

4. Elektrisch rijden is niet zo duurzaam als je denkt: feit en fabel

Ook elektrische wagens zijn niet volledig CO2-neutraal. Van productie over gebruik tot recyclage wordt de CO2-uitstoot van een elektrische auto geschat op 9 ton, wat maar liefst 2,5x minder is dan een auto met verbrandingsmotor. Een belangrijke factor hierin is natuurlijk ook hoe groen de energie is die je ‘tankt’. Hiervoor kan je bij Essent terecht, want met ons vast of variabel energietarief kies je milieubewust voor groene energie. Tijdens het rijden komen er bovendien geen vervuilende stoffen vrij.

 

Om je elektrische wagen op te laden moet je natuurlijk ook energie opwekken. Daarom wordt elektrisch rijden ook weer een stuk duurzamer voor wie thuis ook zonnepanelen heeft. Op die manier kan je die opgewekte energie gebruiken om je auto mee op te laden, een voordeel dat door het stopzetten van de terugdraaiende teller nog interessanter is geworden. Elke kWh die je niet terug op het net hoeft te zetten is er immers eentje die je nuttig kan gebruiken.

5. Er zijn (te) weinig laadpalen: feit

Het aantal laadpalen neemt toe, maar blijft nog veel te laag. Sinds 2019 vind je in België meer dan 10.000 laadpalen. Om te vergelijken met Nederland (koploper in de EU): dat land telde in juni 2018 al 122.000 laadpunten. Al moet je natuurlijk wel rekening houden met het feit dat Nederland een groter land is en het aantal elektrische wagens er veel hoger ligt. Eind 2020 waren er in België z’on 24.000 elektrische wagens, en in Nederland 260.000. Bovendien heeft de overheid aangegeven om werk te maken van een groter aantal laadpalen.

 

In ons land staat momenteel ongeveer de helft van de laadpalen bij bedrijven. Een kwart is in het bezit van particulieren en de rest, ruim 3.000, zijn publieke laadpalen op de openbare weg. 90% van de laadbeurten gebeurt dan ook thuis of op het werk.